David G. Anderson
2000 Three Senses of Belonging on the Khantaika. In: Identity and Ecology in Arctic Siberia; The Number One Reindeer Brigade. Oxford: Oxford University Press. Pp 201 Ð 218.
Three Senses of Belonging on the Khantaika.
Na de val van het communisme was er een plotselinge toename van het aantal groepen die zelfbestuur en territoriale autonomie claimden. Dit versterkte het uiteenvallen van de Sovjet Unie. Volgens Anderson (2000: 201) is de sterke opkomst van sociale bewegingen paradoxaal wanneer je kijkt vanuit verschillende theoretische standpunten. De voormalige Sovjet Unie zou vanuit politiek perspectief, communistisch ideologisch perspectief en modernistisch perspectief hebben moeten leiden tot ŽŽn volk, een naadloos geheel en een algemeen nationalisme. Er was na de val van het communistische regime echter sprake van een Òeruption of claims to self-determinationÓ (Anderson 2000: 201).
Het complete uiteenvallen van deze zogenaamde eenheid had enkele oorzaken. Anderson heeft als doel in dit hoofdstuk duidelijk te maken wat de rol is van de staat in deze verbrokkeling. Tijdens het communistische regime rationaliseerde het identiteiten, controleerde het volksverhuizingen en beheersde het mensenlevens totaal. Het nationaliteitenbeleid was een belangrijke spil in het burgerlijk leven. Iedereen kreeg een nationale identiteit toegeschreven bij de geboorte. Hier waren rechten, plichten, normen en waarden aan verbonden.
Anderson wil in zijn artikel niet alleen de rol van de staat laten zien. Actoren zijn ook in dit hoofdstuk nog steeds actief betrokken bij hun eigen leven. Hij heeft het dan ook over de creativiteit van de lokale mensen in het bewust en onbewust manipuleren van hun nationale identiteit, hun territorium en hun kollektief.
Vervolgens gaat Anderson in op de gebruikte begrippen als nationale identiteit, etnische identiteit en 'belonging'. In dit hoofdstuk wil Anderson in zijn gebruik van begrippen dichtbij de onderzochte mensen blijven. Zij gebruiken in hun woordenschat 'nationalnost' en 'natsionalizm'. Deze woorden lijken wel op het begrip nationale identiteit. Het legt de nadruk echter vooral op een defensief voor de aanval op hun eigen stabiele en veilige positie in de maatschappij. Dit idee is gestoeld op grotere begrippen uit de sociale wetenschappen, zoals nationaliteit en etniciteit.
Anderson (2000: 203) kan zich echter niet vinden in deze begrippen. Hij ziet dat het onderscheidt tussen de begrippen vaak gemaakt wordt voor 'moderne' en 'pre-moderne' mensen. Etnische groepen zijn dan een soort van overlevende mensen van naties. Bovendien wordt er veelal een onderscheidt gemaakt op de grootte van de groep mensen. Een grote groep mensen zou dan een natie zijn, een kleine een etnische groep.
Door alleen maar te kijken naar dit onderscheid op grootte komen we er niet uit. Anderson (2000: 204) zegt dat we moeten kijken voor en door wie het onderscheidt gemaakt wordt tussen deze twee groepen begrippen. Volgens Anderson is het kijken naar een samenleving op een grotere schaal alleen mogelijk voor een klasse mensen, die zijn getraind in de wetten van de staatsorde. Dit zijn volgens Anderson intellectuelen, onderwijzers, en ambtenaren. Het koppelen van de schaal van een samenleving aan nationale of etnische identiteitsvorm is tegenstrijdeig, aangezien er tussen groepen vele tegenstrijdigheden zijn tussen schaal en identiteitsgevoel.
Anderson (2000: 205) geeft uiteindelijk aan dat het niet echt veel uitmaakt welk begrip je kiest in je analyse, zolang het maar dichtbij de bevolking blijft. Hij kiest uiteindelijk voor het begrip nationaliteit. Dit begrip verlegt volgens Anderson het perspectief naar de veelheid van politieke en institutionele segmenten van identiteit. Bovendien heeft het begrip etniciteit bij de bevolking in de Khantaika een negatieve connotatie.
Het begrip nationaliteit omvat echter nog steeds niet de volledige rijkheid van het fenomeen van verschillende soorten sentimenten. In de discussie wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen identiteit gebruikt als instrument en identiteit als emotionele verbondenheid. Terwijl deze functies juist vaak tegelijkertijd voorkomen. Dit onderscheidt is alleen nuttig voor de analyst. Hun bevindingen zijn vaak van grote invloed op het overheidsbeleid en daardoor ook op de bevolking. De bevolking reageert hier weer op door te spelen met de gegeven identiteiten.
Bovendien worden de begrippen etniciteit en nationaliteit steeds meer paraplu-begrippen. Hierdoor worden ze steeds meer verwijderd van de betekenisgeving onder de lokale populatie. Ze leiden in hun betekenis ook de aandacht af van de nog steeds in ontwikkeling zijnde relatie tussen de etnograaf, de ambtenaren, de lokale bevolking en de toendra. Anderson noemt deze relatie overigens een ecologische relatie.
Het sentiment dat leeft onder de bevolking is te breed om geschaard te kunnen worden onder deze paraplu's. Anderson (2000: 207, 208) vraagt zich dan ook af, waarom we het bij het bespreken van deze sentimenten ons moeten beperken tot ŽŽn begrip. Hij wil recht blijven doen aan het perspectief van de onderzochte bevolkingsgroepen. Daarom introduceert hij het begrip 'idea of belonging' (Anderson 2000: 208).
Dit begrip heeft een aantal voordelen. Het geeft bijvoorbeeld geen richting aan van autoriteit. Verder is het een begrip dat veel gebruikt wordt door de bevolking op de Khantaika om hun identiteit uit te drukken. Verder is het een woord, dat bezit aanduidt. In de Russische taal en ook in het Evenki komen geen lidwoorden voor. Eerder worden bezittelijke voornaamwoorden gebruikt.
'Belonging' wordt gebruikt als een mix van bezit en de door dit bezit aangeduidde relaties tussen een persoon en andere mensen en mensen en land. Bovendien verbindt het de in de theorie genoemde 'official' en 'vernacular' identiteiten. Hierbij zijn identiteiten voorgeselecteerd door administratieve agenten, waarna mensen deze identiteiten op een creatieve en vaak onvoorziene wijze gebruiken. Ten slotte staat het begrip ook voor 'relaties' en 'reciprociteit'.
Het begrip 'belonging' is behulpzaam bij het uitleggen van het verschil tussen de sentimenten nationaliteit en burgerschap. Het onderscheid tussen deze twee soorten sentimenten werd gemaakt ten tijde van de regeringsperiode van het communistische regime. Deze twee verschillende sentimenten werden in die tijd gebruikt om sommige groepen mensen te verenigen en andere groepen juist weer uit elkaar te doen vallen. Met deze sentimenten werd een zogenaamd verdeel-en-heers-beleid uitgevoerd. Burgerschap kan dan ook niet gezien worden zonder nationaliteit en de macht van de staat over de inhoud van deze termen.
Door rekenschap te houden met deze beide sentimenten kan verklaard worden waarom er na de val van het communisme sprake was van een plotselinge toename van nationale sentimenten. Dit proces van identificatie komt dus voort uit overheidsbeleid. De stimulans voor deze nationale sentimenten komt echter niet voort uit een wraak op het verleden, tegen het communistsiche regime, maar zijn gestoeld op angsten voor de onzekere toekomst. Met de basis die we opgedaan hebben in het verleden, blijven we vooruit kijken. Anderson (2000: 211 Ð 216) geeft voor de werking van deze sentimenten het voorbeeld over de nieuwe marktwerkingen en hoe de lokale bevolking hiermee omgaat en overleeft door hun 'indigenous' identiteit te verkopen op de wereldmarkt.