Hoofdstuk 6 +7
Politics of Survival
In dit hoofdstuk bespreekt Migdal de staatsleiders, welke problemen zij tegenkomen en hoe zij deze oplossen. Het hoofdstuk gaat voornamelijk over macht. Met macht wordt ook wel het vermogen mensen en goederen te mobiliseren, dit moeten politieke leiders kunnen om hun doelen te verwezelijken. Tegelijkertijd is er ook mobilisatie van de gewone bevolking nodig. Dit leidt tot een paradox, want de staatsinstituties moeten zover in macht beperkt worden, zodat zij geen machtscentra kunnen vormen, aan de andere kant moeten zij wel weer voldoende macht krijgen om de wetgeving door te kunnen voeren.
Migdal bespreekt 3 modellen ter verduideliking van verschillende overlevingsstrategieen, die staatsleiders gebruiken voor politieke mobilisatie: het marktmodel, het physisch model met centrerende krachten en centrumvliedende krachten en het risicomodel. Het marktmodel past bij een sterke staat en het risicomodel past bij de zwakke staat.
Ook bespreekt Migdal de overlevingspolitiek. Deze politiek heeft als doel, dat er geen concurerende machtscentra kunnen ontstaan. Migdal noemt drie methodes om dit dus te voor komen: the big shuffle, nonmerit appointments en dirty tricks.
Er zijn ook niet-statelijke machtscentra, waarbij de lokale individueel niet van belang zijn voor staatsleiders, maar als een groep wel lastig kunnen zijn. Aan de andere kant behouden zij wel de stabiliteit in het land. De grotere machtscentra kunnen dezelfde bedreiging vormen als statelijke machtscentra. Enkele methodes om met deze centra om te gaan zijn: dirty tricks, deze instituties laten overnemen door de staat en het accomoderen van kapitaal.
Migdal concludeert, dat het probleem van zwakke staten ligt bij de leiders, die continu bezig zijn met het beveiligen van hun eigen positie.
The Triangle of Accomodation
Dit hoofdstuk gaat voornamelijk over de implementors, de mensen die het beleid moeten uitvoeren. Van hen hangt af of de doelen van de staatsleiders gerealiseerd worden. De implementors hebben met verschillende groepen mensen te maken (hun bazen, de clienten van het programma, regionale actoren van andere overheidsorganisaties en de niet-statelijke lokale leiders), die allen weer hun stempel willen drukken op het uit te voeren beleid. De verschillende methodes, die de staatsleider gebruikt om machtscentra binnen de staat tegen te gaan, hebben een negatieve invloed op het werk van de implementors. Hierdoor kiezen zij voor het veilig stellen van hun eigen carriere in plaats van te werken voor het nationaal belang.
Het hoofdstuk heet de driehoek van aanpassingen. Hiermee bedoelt Migdal dat implementors, strongmen (de lokale leiders) en andere overheidsfunctionarissen zich continu aan elkaar moeten aanpassen, waardoor geen van deze groepen een monopolie over macht kan krijgen.